Wandelen met Dirk op Curaçao
Flora

Het klimaat en de soort bodem bepalen in belangrijke mate het type planten wat op Curaçao voorkomt. Als we denken aan het klimaat is het vooral de hoeveelheid regen die bepalend is voor de soorten planten die hier kunnen overleven. Het is met name een kwestie van overleven omdat bijna alle regen in de maanden tussen oktober en februari valt (de “grote regentijd”). Daarna wordt het droog al wil het nogal eens regenen in de “kleine regentijd” (de maanden mei en juni). Dit betekent dat de meeste planten voor hun groei en voortplanting van de regentijd afhankelijk zijn

Alleen bomen die maar weinig water nodig hebben kunnen in het wild (in de mondi) groeien. Die bomen hebben ook kleine blaadjes (planten met grote bladeren hebben veel water nodig. Enkele bomen die in het wild groeien zijn: indju, wabi, dividivi, kibra-hacha, kalbas di mondi, kapok, manzalina en menelstruiken.

Allereerst heb je planten die watervoorraden aanleggen in hun stam. Dat doen de cactussen maar ook de rode en witte zadelboom.Daarnaast zijn er bomen die ervoor zorgen dat hun bladoppervlak zo klein mogelijk blijft zodat er weinig water verdampt. Ook kan de wind dan voor een goede afkoeling zorgen. Denk aan de tamarinde, de wabi en de indjuboom.

Sommige planten maken hele uitgebreide wortelstelsels zodat ze water uit een groot gebied kunnen opnemen; zoals de bolcactus of milon di seru. Ook kun je natuurlijk als plant zo diep mogelijk de grond ingaan met je wortel. Een mooi voorbeeld hiervan is de wayaca. Het hout van deze altijd groene boom behoort tot een van de hardste en meest taaie houtsoorten en is zo zwaar dat ze in water zinkt. Een jonge kibrahacha heeft al wortels die tien keer zo lang zijn als het boompje zelf. De stam van de brassiaboom zit vol kronkels. Vroeger haalde men uit het hout van de brassia een rode verfstof. Nu maakt men er sierstukken mee. De kibrahacha heeft gele blaadjes. Het hout van de kibrahacha is heel erg hard. Dan zijn er nog planten die al hun bladeren laten vallen als het droog wordt zodat ze bijna geen water meer verdampen. En weer andere planten krullen hun bladeren op als het te droog wordt.

De dividivi of watapana wordt ook wel windboom genoemd, en een van de bekendste bomen van Curaçao.

 

Naast de regenval, of juist het gebrek aan regen in bepaalde perioden, is de bodem een belangrijke factor welke bepaalt welke plant waar groeit.

Er zijn drie belangrijke bodemsoorten op Curaçao; diabaas, kalksteen en de (modder)randen van de binnenbaaien van Curaçao. Op de bodem van kalksteen vinden we meer altijdgroene plantensoorten dan op de andere bodemsoorten. Dit komt omdat kalksteen erg goed in staat is om water vast te houden. (Daarom kom je de natuurlijke zoetwaterbronnen zoals bij San Pedro en Rooi Rincon vooral tegen in kalksteengebieden). Ook in de hoge gedeelten van de Knipheuvels (de Christoffelberg en de heuvels eromheen), waar veel dauw neerslaat, heb je meer altijdgroene planten en bomensoorten.
Diabaas laat water slecht door en voert daarom veel regenwater via de rooien direct naar de zee af. Op deze soort gronden tref je dus meer soorten planten aan die in de droge tijd hun blad laten vallen.
Langs de randen van de binnenbaaien, met hun zoute water, vindt je een aantal planten die elk zijn aangepast net als dieren aan het milieu waar ze in kunnen leven.
Vroeger brachten de indianen het hert en het konijntje mee en dat betekende de introductie van extra planteneters naast de leguaan die hier al veel langer leefde. Veel later werden de geiten binnengehaald en dat betekende een regelrechte ramp voor de lokale plantensoort. Geiten eten namelijk bijna alles en de plant die zich niet kan beschermen tegen deze vreetmachines zal uiteindelijk verdwijnen. Dat kan een plant doen door het maken van sappen die een geit niet lekker vindt, of door doornen of door bijvoorbeeld brandharen.


Ethanie Martina